Nieuws

BFH verwerpt uniforme winstbepaling voor gezamenlijke medische praktijken


München (jur). Een vermeende partner in een freelancepraktijk is geen mede-ondernemer als zijn deel van de winst alleen wordt afgemeten aan zijn eigen omzet en hij wordt uitgesloten van belangrijke managementbevoegdheden. Dit heeft de Federal Finance Court (BFH) in München besloten met een op 30 maart 2016 gepubliceerde uitspraak over gezamenlijke medische praktijk (Az.: VIII R 63/13). Volgens deze uniforme winstbepaling is deze (mogelijk nep) partner niet meegerekend.

Bij een geschil hadden twee artsen in Rijnland in 1998 een collega in hun gezamenlijke praktijk opgenomen. Het sociaal contract bood haar in 2001 de mogelijkheid om een ​​derde in de gemeenschapspraktijk te starten; maar ze maakte er geen gebruik van. Het vergoedingsaandeel van de arts bleef alleen afhankelijk van haar eigen verkopen. Het ontving tot 102.260 euro, waarvan 37 procent, en extra omzet 42 procent.

In haar belastingaangiftes behandelde de groepspraktijk haar collega als mede-ondernemer. Volgens de aanvraag bepaalde de belastingdienst aanvankelijk de winst uniform voor de gehele "tripartiete" groepspraktijk en deelde deze vervolgens door drie.

Na een controle in 2009 is de belastingdienst verhuisd. Het aandeel van de arts in de vergoedingen moet afzonderlijk worden beschouwd in het kader van haar eigen aanslag inkomstenbelasting. De resterende winst wordt dan alleen bepaald voor een 'two-tier' bedrijf. De Belastingdienst heeft deze vervolgens voor de helft toegewezen aan de andere twee artsen, wat voor hen tot een hogere belastingdruk heeft geleid.

Net als de financiële rechtbank van Düsseldorf heeft de BFH de klacht van de arts nu afgewezen. Ook al ziet u de burgerlijk burgerlijke arts als partner met een deelname van "nul", zij mag niet voor fiscale doeleinden als mede-ondernemer worden behandeld. Omdat het was uitgesloten van grote delen van het management, zoals de beslissing over investeringen.

Bovendien hadden ze geen echte winstdeling, maar alleen een vergoeding die afhankelijk was van hun eigen verkopen. Haar aansprakelijkheid voor verlies was beperkt tot haar vergoedingen. Er was geen deelname aan bedrijfsmiddelen en deelname aan immateriële "verborgen reserves" kon niet worden afgeleid uit de partnerschapsovereenkomst. Dat de arts de mogelijkheid heeft gehad om regelmatig deel te nemen, verandert daar niets aan, aldus de BFH in haar arrest van 3 november 2015, dat inmiddels schriftelijk is gepubliceerd. (Mwo / fle)

Auteur en broninformatie